Opheffing sentier 75 tegengehouden door de Raad van State
De Raad van State vernietigde op 10 september 2025 het besluit van de gemeenteraad van een West-Vlaamse gemeente dat een groot deel van de voetweg nr. 75 zou opheffen. De Raad vernietigde eveneens de beslissing van de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken om een beroep tegen de volledige opheffing onontvankelijk te verklaren.
Waarover ging deze zaak?
Een landbouwer diende een omgevingsvergunningsaanvraag in voor het uitbreiden van een stalling op zijn erf. De voorziene stal doorkruiste daarbij een stukje van de in de Atlas der Buurtwegen vastgelegde rooilijnen van de voetweg nr. 75. De aanvrager vroeg de opheffing van de voetweg nr. 75, niet alleen op de eigen terreinen, maar ook over percelen van derden. De gemeenteraad ging gewillig mee in dit verzoek. Een buurtbewoner tekende tegen deze praktijk bezwaar én vervolgens beroep aan bij de Vlaamse Minister van Mobiliteit. Deze laatste was van oordeel dat het beroep onontvankelijk was bij gebrek aan belang bij de toekenning van de omgevingsvergunning.
De Raad van State oordeelt
Het arrest is van bijzonder belang, omdat het enkele heikele punten uitklaart in de samenhang tussen de "zaak van de wegen" en het toekennen van een omgevingsvergunning:
- Het belang van de beroepsindiener: De Raad stelde dat de minister het administratief beroep tegen de gemeenteraadsbeslissing ten onrechte onontvankelijk had verklaard, door bijkomende voorwaarden te eisen die niet in het Gemeentewegendecreet staan. Een belang als potentiële weggebruiker volstaat, een belang met betrekking tot de aangevraagde omgevingsvergunning hoeft dus niet. Logisch, want er is geen andere manier om administratief beroep tegen de gemeenteraadsbeslissing in te dienen.
- De “Geïntegreerde procedure” waarbij het aanpassen van een gemeenteweg wordt gecombineerd met de aanvraag van een omgevingsvergunning (art. 12, §2 Gemeentewegendecreet) mag enkel worden gebruikt voor het deel van een gemeenteweg op het terrein waarop de vergunning slaat. Het lokaal bestuur kan via die "uitzonderingsprocedure" dus niet zomaar ook stukken op andere percelen opheffen. Daarvoor moet de autonome procedure gebruikt worden.
Een schema maakt duidelijk dat de opheffing van de voetweg véél verder loopt dan louter het perceel waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft.
Zowel weggebruiker als aanvrager van de vergunning zijn de dupe
Er is de afgelopen maand heel wat te doen geweest over het versnellen van vergunningsprocedures en daarbij wordt door experten óók gekeken naar dergelijke gemeenteraadsbeslissingen die een blok aan het been zouden zijn en vergunning zouden tegen houden. Trage Wegen beaamt dat de "geïntegreerde procedure" complex kan uitdraaien, maar meent dat de grootste procedurele versnellingen te halen vallen in de vroegste fase van het vergunningstraject. De ontvankelijkheid van het dossier mangelde al van bij het begin. Willens nillens werd de gëintegreerde procedure toegepast. In dit geval werd door overdreven formalisme ook nog bijkomend een administratief beroep geweigerd.
De lastigste knoop bestaat er echter in dat er twee werelden worden verenigd: de bevoegdheid van het lokaal bestuur als wegbeheerder (een taak van algemeen belang) en het belang van een particulier die een vergunning aanvraagt. Standaard zal het individuele belang van een aanvrager niet noodzakelijk samen lopen met het algemene belang dat de wegbeheerder dient te behartigen. Goed geïnformeerd vooroverleg kan echter vermijden dat zowel de weggebruiker als de vergunningsaanvrager verliezen. In dit concrete geval had een beperkte verlegging op het terrein van de aanvrager volstaan, iets wat al vóór de aanvang van het openbaar onderzoek werd geopperd.