Friday, 27 November 2020 11:52

Vraag van de maand: Vormen waterlopen een bedreiging voor de trage wegen die er naast lopen?

De loop van beken en rivieren is dynamisch. Als waterlopen hun natuurlijke gang gaan, verplaatsen ze zich in de loop der tijden. Soms wordt aangehaald dat een buurtweg niet meer toegankelijk is omdat hij volgens de ligging in de Atlas der Buurtwegen nu ín de beek ligt. Dat zou betekenen dat heel wat gemeentewegen - of delen ervan - sinds de opmaak van de Atlas der Buurtwegen opgeslorpt zijn door de beek of rivier waar ze naast liepen. Deze kwestie zorgt vaak voor verwarring, zo blijkt uit de vele vragen die wij hierover binnen krijgen.

Laat het duidelijk zijn: de stelling dat een gemeenteweg (gedeeltelijk) kan opgeslorpt worden door een waterloop klopt niet. Ook als de beek zich verplaatst of breder wordt, blijft een gemeenteweg naast de beek liggen. De afbakening van de wegen moet gebeuren vanaf de grens van de waterloop, en niet vanaf het midden van de beek.

Natuurlijke onroerende natrekking

De kwestie zit als volgt in elkaar:

  1. Het rooilijnplan: Gemeentewegen werden vaak vastgelegd ten opzichte van perceelsgrenzen. Zeker in de Atlas der Buurtwegen, waarvan de detailplannen nog steeds gelden als rooilijnplan, komt dit heel regelmatig voor: een (voet)weg ligt dan bv. 1,75 m naast de beek.
  2. Om de ligging van een gemeenteweg op te meten, moet - in het geval van een weg met een natuurlijke grens zoals een waterloop - eerst de ligging van de perceelsgrens bepaald worden. Omwille van 'natuurlijke onroerende natrekking' wijzigt de perceelsgrens automatisch bij natuurlijke waterlopen. Dit is een rechtstreeks gevolg van het > Burgerlijk Wetboek, art. 559:
    “Wanneer een stroom of een al dan niet bevaarbare rivier door een plotseling geweld een aanzienlijk en herkenbaar stuk van een aan de oever gelegen land afscheurt en aan een lager gelegen land of aan de tegenoverliggende oever aanwerpt, kan de eigenaar van het afgescheurde stuk zijn eigendom opeisen: hij is echter gehouden zijn eis in te stellen binnen een jaar; na die termijn is hij daartoe niet meer ontvankelijk, tenzij de eigenaar van het land waarmee het afgescheurde stuk verenigd is, van dit stuk nog geen bezit genomen heeft.”

    Ook in het nieuwe Burgerlijk Wetboek (dat in werking zal treden op 1 september 2021) vinden wij een dergelijke bepaling terug in het Artikel 3.65, Natuurlijke onroerende natrekking:
    "De grondeigendom strekt zich uit tot stukken grond die vrijkomen of aanwassen door de duurzame werking van het water buiten toedoen van de betrokken oevereigenaar, voor zover dat eigendomsrecht niet uitgeoefend wordt op een wijze die onverenigbaar is met de openbare bestemming van de waterloop."

  3. De opmeting ter plaatse zal dus gedaan worden ten opzichte van die nieuwe grens, dus NAAST de waterloop.

Openbare erfdienstbaarheden

Er is overigens ook heel wat gewoonterecht en rechtspraak in verband met privateerfdienstbaarheden 'zonder titel' (dat wil zeggen: zonder plan of document) en wijzigende eigendomsgrenzen. In die vonnissen wordt gesteld dat de erfdienstbaarheid die het heersend erf oplegt moet kunnen blijven worden uitgeoefend via het lijdend erf. Dat wil zeggen: als een weg ten dele wegspoelt, dan moet het lijdend erf toch de integraliteit van de erfdienstbaarheid opvangen.

Dit principe wordt aangehouden bij de openbare erfdienstbaarheden. Men spreekt in het Burgerlijk Wetboek expliciet over de “jaagpaden en voetpaden” (die als openbare erfdienstbaarheden worden beschouwd) die zélfs bij aanslijking moeten worden vrijgehouden. Zie > BW, Art. 556:
"Aanslijkingen en aanwassen die langzamerhand en ongemerkt ontstaan aan bij een stroom of rivier gelegen gronden, worden aanspoelingen genoemd. De aanspoeling komt ten goede aan de eigenaar van de oever, onverschillig of het een stroom of een al dan niet bevaarbare of vlotbare rivier betreft; in het eerste geval echter moet het voetpad of jaagpad worden vrijgelaten, overeenkomstig de verordeningen."

Samenhang met de Wet op de Onbevaarbare waterlopen

Maar wat is dan de grens van een onbevaarbare waterloop? Hoe ver strekt een beek zich uit? Zou een voetweg bijvoorbeeld toch niet op het schuine talud van een beek kunnen liggen? Op deze vraag biedt de > Wet op de Onbevaarbare waterlopen dan weer het antwoord.

Artikel 1 - “4 ° bedding van een onbevaarbare waterloop: de oppervlakte die gevormd wordt door de bodem en het gedeelte van de oeverzone van de waterloop dat onder de hoogste grens ligt die het stromend water kan bereiken zonder dat de waterloop overstroomt”

Artikel 1 – “6° talud: strook land binnen de bedding van een oppervlaktewaterlichaam vanaf de bodem van de bedding tot aan het begin van het omgevende maaiveld of de kruin van de berm”

Het talud is dus deel van de waterloop, een aanliggende weg kan dus niet zomaar in het talud terechtkomen. Dat is ook logisch: bij een sterke meandering of een afspoeling zou zo de publieke erfdienstbaarheid dan op een gegeven moment zelfs op de bodem van de waterloop komen te liggen.
 

Schrijf je in op onze nieuwsbrief



Trage Wegen draagt zorg voor je privacy. Door je in te schrijven op onze nieuwsbrief, ga je akkoord met onze privacyverklaring.