Friday, 15 May 2020 15:14

Vraag van de maand: hoe moet een gemeenteraadsbeslissing over gemeentewegen worden gemotiveerd?

In een vorige bijdrage hadden we het al over >> rooilijnen en rooilijnplannen van gemeentewegen en hoe de lokale besturen deze rooilijnen kunnen opstellen, aanpassen of opheffen volgens de >> ‘autonome procedure’. Maar hoe moet een gemeente dergelijke beslissingen motiveren?

Om te antwoorden op die vraag moeten we eerst naar artikel 3 van het gemeentewegendecreet kijken, dat de doelstelling ervan bevat.
“Dit decreet heeft tot doel om de structuur, de samenhang en de toegankelijkheid van de gemeentewegen te vrijwaren en te verbeteren, in het bijzonder om aan de huidige en toekomstige behoeften aan zachte mobiliteit te voldoen. Om de doelstelling, vermeld in het eerste lid, te realiseren voeren de gemeenten een geïntegreerd beleid, dat onder meer gericht is op:
1° de uitbouw van een veilig wegennet op lokaal niveau;
2° de herwaardering en bescherming van een fijnmazig netwerk van trage wegen, zowel op recreatief als op functioneel vlak.”

De motivering van gemeenteraadsbeslissingen zal dus in de allereerste plaats moeten kaderen in deze doelstellingen. De Memorie van Toelichting bij het Gemeentewegendecreet van 3 mei 2019 (Zie daarvoor de Parlementaire Stukken, http://docs.vlaamsparlement.be/pfile?id=1468765) verwoordt dat als volgt:
“Om de doelstellingen, vermeld in artikel 3, te realiseren moeten gemeenten bij beslissingen over wijzigingen van het gemeentelijk wegennet rekening houden met een aantal algemene principes. Die principes worden decretaal vastgelegd en vormen het algemene kader voor het geïntegreerde beleid:
1°  wijzigingen aan het gemeentelijk wegennet staan steeds ten dienste van het algemeen belang;
2°  een wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg is een uitzonderingsmaatregel, die afdoende gemotiveerd wordt;
3°  de verkeersveiligheid wordt steeds in acht genomen, waarbij bijvoorbeeld gevaarlijke hoeken of hellingen moeten vermeden worden;
4° wijzigingen aan het wegennet worden zo nodig beoordeeld in een gemeentegrensoverschrijdend perspectief. Gemeentewegen die deel uitmaken van een bestaand of potentieel wandel- of fietsknooppuntennetwerk, worden maximaal behouden;
5° duurzaamheid speelt een belangrijke rol. Bij de afweging van wijzigingen van het wegennet wordt rekening gehouden met de actuele functie van de gemeenteweg, zonder daarbij de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang te brengen. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Op die manier wordt gestreefd naar een optimale ruimtelijke ordening en ruimtelijke kwaliteit.
Die principes zijn ook van toepassing bij de afweging van beslissingen over gemeentewegen die in de feiten al enige tijd verdwenen zijn of in onbruik zijn geraakt.”

Gemeenten moeten dus hun beslissingen over gemeentewegen eerst en vooral kaderen in het algemeen belang (art. 4, 1° - Gemeentewegendecreet). Dat algemeen belang betreft eerst en vooral de decretale algemene doelstellingen van het gemeentelijke wegenbeleid (artikel 3, Gemeentewegendecreet, zie hoger). Dat hoeft geen beletsel te zijn voor beslissingen die neutraal zijn ten opzichte van die algemene doelstellingen, aangezien ook rekening kan worden gehouden met overige aspecten van het algemeen belang, waaronder de beginselen van behoorlijk bestuur. Wegen afschaffen waarvan redelijkerwijs kan worden aangetoond dat het onmogelijk is ze te heropenen, bv. omdat er een woonwijk bovenop is gezet, kunnen wel degelijk in dat kader worden opgeheven.

In elk geval moet de opheffing van een gemeenteweg afdoende gemotiveerd worden (art. 4, 2° - Gemeentewegendecreet). Het Gemeentewegendecreet voert dus een autonome formele motiveringsplicht in voor wijzigingen, verplaatsingen en opheffingen, waarbij steeds uitdrukkelijk moet worden verduidelijkt om welke reden niet geopteerd wordt voor het behoud van het bestaande wegtracé. Ook daar geeft de Memorie van Toelichting aan hoe dit moet gebeuren.
“Het behoud of de herwaardering van bestaande verbindingen staat voorop. Als zich een vraag naar een verplaatsing of opheffing aandient, moet in eerste instantie nagegaan worden welke alternatieve verbindingen bestaan of mogelijk zijn. Aangezien de weg vaak deel uitmaakt van een netwerk en mogelijk zorgt voor verbindingen over de gemeentegrenzen heen, zal dat grensoverschrijdende karakter een belangrijk element vormen bij de afweging en de motivering ten aanzien van verplaatsing of opheffing. Ook hier wordt het principe van de Ladder van Lansink gehanteerd: behoud, verplaatsing, opheffing. Een verplaatsing geniet de voorkeur boven een loutere opheffing.”

De zogenaamde Ladder van Lansink (een >>> begrip dat voortkomt uit het afvalbeheer) wordt dus toegepast op gemeentewegen en allicht nog het meest op trage wegen die vandaag juridisch nog bestaan, maar om tal van redenen niet door het publiek kunnen gebruikt worden. In elk geval geniet de nuloptie, ttz. het behoud en herstel van de weg op dezelfde plaats, de voorkeur. Indien het behoud niet wenselijk of realistisch is, geldt dat verplaatsing voorrang heeft op opheffing. Met andere woorden: indien men dit niet duidelijk kan aantonen, dan kan een dergelijke beslissing op grond van dit artikel worden vernietigd.
Meer nog, het decreet heeft het over een uitzonderingmaatregel (eveneens art. 4, 2°), waarover de Memorie van Toelichting zegt:
“Het kan geenszins de bedoeling zijn om alle bestaande gemeentewegen die op dit moment afgesloten of ontoegankelijk zijn, zo maar op te heffen. De verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg moet worden beschouwd als een uitzonderingsmaatregel. Het behoud en de herwaardering van bestaande verbindingen staan immers voorop. Als zich een vraag naar opheffing aandient, moet in eerste instantie nagegaan worden welke alternatieve verbindingen er bestaan of mogelijk zijn.”

De aandacht voor verkeersveiligheid (art. 4, 3°) houdt bijvoorbeeld in dat gevaarlijke hoeken (waarin de weggebruikers elkaar niet kunnen zien komen) of hellingen vermeden moeten worden. De nieuwe ligging van een weg wordt dus best beoordeeld aan de hand van enkele verkeerskundige principes die gangbaar zijn voor het beoogde weggebruik. Dat uit zich dan onder meer in de juiste keuze van breedte en bochtstralen. In hetzelfde artikel wordt er ook verwezen naar de ontsluiting van aangrenzende percelen. Deze bepaling sluit aan bij de rechtspraak van de Raad van State die stelt dat de gemeenteraad bij de beoordeling van een wegtracé binnen een woonproject ook rekening moet houden met de ontsluitbaarheid van een achtergelegen binnengebied. (RvS 7 november 2017, nr. 239.792, STORM 2019/1, 15-18, met noot C. SMEYERS).
De beoordeling van het gemeentegrensoverschrijdend perspectief (art. 4, 4°) wil niet alleen zeggen dat het over wegen gaat die op de grens tussen één of meer gemeenten liggen, maar vooral over wegen die een segment zijn van een langere verbinding. Het kan bv. gaan over huidige (of toekomstige) recreatieve netwerken. Wandel- of fietsknooppuntennetwerken zijn daarvan een goed voorbeeld: één kort wegje op het grondgebied van de ene gemeente kan toch een gemeentegrensoverschrijdende functie vervullen.
Ten slotte zal de gemeenteraad ook moeten motiveren of het vaststellen of opheffen van gemeentelijke rooilijnen voldoet aan een duurzame ruimtelijke ontwikkeling (art. 4, 5°).
Dit algemeen geformuleerde artikel heeft vooral als bedoeling een zo breed mogelijke beoordelingsgrond voor de gemeenteraad in te voeren voor gemeentewegenbeslissingen. Bij de afweging van voorgenomen ingrepen moet de gemeente rekening houden gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Daarbij moet ook acht worden geslagen op de behoeften van toekomstige generaties. Zo is het mogelijk dat een gemeenteweg zonder actuele functie op termijn nog een rol kan spelen binnen het beleid voor een gebied.
Ook hier duikt de Ladder van Lansink op, om nog even de Memorie van Toelichting te citeren:
“Punt 5° houdt in dat de gemeenteweg verplaatst of opgeheven kan worden als zowel de actuele waarde als de potentiële toekomstige waarde redelijkerwijs nihil is. Uiteraard kan bij die afweging gekomen worden tot een gedifferentieerd en voorwaardelijk oordeel met het oog op het behoud of, zo nodig, het versterken van het netwerk van gemeentewegen. Het principe van de Ladder van Lansink leidt ertoe dat opheffing alleen mogelijk is als een nuttige verplaatsing uitgesloten is. Doordat geëist wordt dat zowel de actuele functie van de gemeenteweg als de behoeften van toekomstige generaties in rekening worden gebracht, en doordat de beslissing steeds getoetst moet worden aan alle voorgeschreven beoordelingselementen, kan een beslissing nooit louter worden gedetermineerd door ‘het voldongen feit’”.

Een hele boterham, dus. En hoewel de doelstellingen (art. 3) en principes (art.4) uit het decreet dus een vrij duidelijk kader voor beslissingen creëren, biedt het decreet ook de mogelijkheid om dit kader aan te vullen en te verfijnen met een eigen gemeentelijk beleidskader (art. 6), waaraan beslissingen kunnen worden getoetst. Maar daarover hebben we het in één van onze volgende bijdragen.
Om zo goed mogelijke gemeentelijke beslissingen te verkrijgen, maakten Trage Wegen en de VVSG een >> reeks voorbeeldbeslissingen op, waarop deze afwegingsgronden al worden aangehaald.
Alle praktische info en goede praktijken die te maken hebben met het Gemeentewegendecreet bundelden wij in de >> Praktijkgids Gemeentewegendecreet uitgegeven bij Die Keure. Leden en partnergemeenten van Trage Wegen kunnen de Praktijkgids bestellen met 20% korting.

Schrijf je in op onze nieuwsbrief



Trage Wegen draagt zorg voor je privacy. Door je in te schrijven op onze nieuwsbrief, ga je akkoord met onze privacyverklaring.